t.t. = geef de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd
v.t. = geef de persoonsvorm in de verleden tijd
v.d.= geef het voltooid deelwoord
HORIZONTAAL |
| 1. | Dat gebeuren (t.t.) hier nooit. | | 3. | De verdachte heeft nog niet bekennen (v.d.). | | 5. | Hij skateboarden(t.t.) tegenwoordig elke dag. | | 6. | Zij hebben elke dag bingoën (v.d). | | 7. | Ook met vergroten (v.d.) letters kon hij het niet lezen. | | 8. | Hans racen (v.t.) als een gek naar de wc. | | 10. | Van Persie missen (v.t.) de penalty niet. | | 11. | Die politicus heeft dat vaker beweren (v.d.). | | 13. | Hij heeft de goede antwoorden gedeletet (v.d.). | | 14. | Dat worden (t.t.) je broer niet in dank afgenomen. | | 15. | De rector fronsen (v.t.) zijn wenkbrauwen. | | 16. | Wij douchen (v.t.) daar met koud water. | | 17. | Hij heeft het direct verbinden (v.d.). | | 19. | Hij wennen (t.t.) daar wel aan. | | 20. | Zij fitnessen (t.t.) nu drie keer in de week. | | 22. | Hij melden (t.t.) dat wel per e-mail. | | 24. | Hij heeft die kuren wel vaker vertonen (v.d.). | | 25. | Hij winnen (t.t.) niet altijd. | | 26. | Daar heb ik niet voor pleiten (v.d.). | | 27. | Hij lachen (v.t.) omdat hij het verwachtte. |
|
VERTICAAL |
| 2. | Van Basten heeft dat telefoontje direct beantwoorden (v.d.). | | 4. | De leraar negeren (t.t.) haar al een tijdje. | | 7. | Zij verbeelden (t.t.) zich dat ze op Pamela lijkt. | | 9. | Het bedrijf storten (v.t.) het afval illegaal in Afrika. | | 11. | Ik bereiden (t.t.) zo'n voorstelling goed voor. | | 12. | Hj erven (v.t.) het huis van zijn tante. | | 13. | Dat geloven (t.t.) niemand meer. | | 14. | Zij wenden (v.t.) de boot net op tijd. | | 18. | Daarmee
beïnvloeden (t.t.) je hem wel degelijk. | | 21. | Ik kon het niet horen omdat hij niezen (v.t.). | | 23. | Het vliegtuig landen (t.t.) precies op tijd. |
|