Chinees is momenteel nog geen officieel vwo-examenvak in Nederland, maar er loopt sinds 2010 wel...
Het werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde
In een zin staat een werkwoordelijk gezegde of een naamwoordelijk gezegde.
1. Het werkwoordelijk gezegde bestaat alleen uit werkwoordsvormen.
Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit
een persoonsvorm: Hij maakt de opgave.
een persoonsvorm en een of meer andere werkwoordsvormen: Hij zou de opgave gemaakt hebben.
Opmerking 1
Als een werkwoord gesplitst is, horen beide delen bij het gezegde:
Voorbeeld: Houd direct op met dat stomme gelach!
Opmerking 2
Bij sommige werkwoorden hoort altijd een wederkerend voornaamwoord. Vergissen bijvoorbeeld kan niet zonder voornaamwoord: Ik vergis me, wijvergissen ons etc. Het voornaamwoord hoort dan bij het gezegde. Bij andere werkwoorden kan je het wederkerend voornaamwoord vervangen door een ander woord: Hij wast zich. Hij wast haar. (zich/haar = lijdend voorwerp).
Opmerking 3
Als er voor een infinitief 'te' staat hoort dat bij het gezegde.
Voorbeeld: Hij staat daar te fluiten. staat te fluiten = werkwoordelijk gezegde.
Opmerking 4
Soms bestaat het werkwoordelijk gezegde uit een werkwoordelijke uitdrukking.
Voorbeelden:
Toen er een agent aankwam, kozen ze het hazenpad. kozen het hazenpad = een werkwoordelijke uitdrukking (= vluchten) Hij stelde haar van het nieuws op de hoogte. stelde op de hoogte = een werkwoordelijke uitdrukking (= inlichten)
Een werkwoordelijke uitdrukking bestaat uit een werkwoord en een paar andere woorden. Je kunt een werkwoordelijke uitdrukking meestal vervangen door een werkwoord met dezelfde betekenis (in de voorbeelden vluchten en inlichten).
2. Het naamwoordelijk gezegde bestaat altijd uit een werkwoordelijk deel en naamwoordelijk deel.
In een naamwoordelijk gezegde staat altijd een koppelwerkwoord. De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, heten, blijven, schijnen, lijken, blijken en dunken en voorkomen.
Het werkwoordelijk deel bestaat uit:
een koppelwerkwoord of
een koppelwerkwoord en één of meer werkwoordsvormen
Het naamwoordelijk deel bestaat uit de rest en wordt door het koppelwerkwoord aan het onderwerp 'gekoppeld'. Het naamwoordelijk deel zegt namelijk altijd iets over het onderwerp.
Voorbeeld: De wedstrijd werd een mislukking.
werd een mislukking is het naamwoordelijk gezegde; werd = werkwoordelijk deel en koppelwerkwoord; een mislukking is naamwoordelijk deel en zegt iets overt het onderwerp namelijk dat het 'een mislukking' werd.
Veel koppelwerkwoorden kunnen ook als een gewoon werkwoord in het werkwoordelijk gezegde voorkomen.
Voorbeelden:
1a. De man schijnt eerlijk.
schijnt eerlijk = naamwoordelijk gezegde schijnt = werkwoordelijk deel eerlijk = naamwoordelijk deel
1b. De man schijnt met een schijnwerper.
schijnt = werkwoordelijk gezegde met een schijnwerper zegt niets over het onderwerp (de man)
2a. Mijn vader is vijftig jaar.
is vijftig jaar = naamwoordelijk gezegde is = werkwoordelijk deel vijftig jaar = naamwoordelijk deel
2b. Mijn vader is op zijn studeerkamer.
is = werkwoordelijk gezegde op zijn studerkamer zegt niets over wat voor een vader het is.
3a. Ik word kwaad van al dat gepest.
word kwaad = naamwoordelijk gezegde word = werkwoordelijk deel kwaad = naamwoordelijk deel
3b. Ik word door hen gepest.
word gepest = werkwoordelijk gezegde door hen zegt niets over het onderwerp (ik)