| Het werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde |
|
In een zin staat een werkwoordelijk gezegde of een naamwoordelijk gezegde. 1. Het werkwoordelijk gezegde bestaat alleen uit werkwoordsvormen.Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit
Opmerking 1Als een werkwoord gesplitst is, horen beide delen bij het gezegde: Voorbeeld:
Opmerking 2Bij sommige werkwoorden hoort altijd een wederkerend voornaamwoord. Vergissen bijvoorbeeld kan niet zonder voornaamwoord: Ik vergis me, wij vergissen ons etc. Het voornaamwoord hoort dan bij het gezegde. Opmerking 3Als er voor een infinitief 'te' staat hoort dat bij het gezegde. Voorbeeld:
2. Het naamwoordelijk gezegde bestaat altijd uit een werkwoordelijk deel en naamwoordelijk deel.In een naamwoordelijk gezegde staat altijd een koppelwerkwoord. De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, heten, blijven, schijnen, lijken, blijken en dunken en voorkomen. Het werkwoordelijk deel bestaat uit:
Het naamwoordelijk deel bestaat uit de rest en wordt door het koppelwerkwoord aan het onderwerp 'gekoppeld'. >Het naamwoordelijk deel zegt namelijk altijd iets over het onderwerp. Voorbeeld: werd een mislukking is het naamwoordelijk gezegde; werd = werkwoordelijk deel en koppelwerkwoord; Veel koppelwerkwoorden kunnen ook als een gewoon werkwoord in het werkwoordelijk gezegde voorkomen.
1a. De man schijnt eerlijk.schijnt eerlijk = naamwoordelijk gezegde OEFENINGEN 1.Oefening werkwoordelijk gezegde![]() 2. Oefening werkwoordelijk gezegde ![]() 3. Oefening naamwoordelijk gezegde ![]() 4. Oefening naamwoordelijk gezegde /![]() ![]() 5. Oefening naamwoordelijk gezegde of lijdend voorwerp /![]() ![]() 6. Oefening 1 gezegde /![]() ![]() 7. Oefening 2 gezegde /![]() ![]()
|



