Abonnee login



Wie is online

 51 gasten 

Hoe spel je ... ?


Enquête

Heeft u behoefte aan extra begeleiding/uitleg?

Taalnieuws

  • De nieuwe woorden van 1910
    Toen Nicoline van der Sijs in 2001 het proefschrift Etymologie in het digitale tijdperk publiceerde, voorspelde zij dat de sterke toename van digitale bronnen in...
  • Schaatsen of schaatsenrijden?
    Het is nu even aan ’t dooien, maar als het een beetje meezit kunnen we binnenkort onze schaatsen weer onderbinden. Als u dat gedaan hebt...
  • Oude post vol taalvondsten
    Op 6 december 1779, vandaag precies 231 jaar geleden, stuurde de zus van matroos Jacob Smit haar broer een pakketje met sinterklaascadeautjes. De zus woonde...
  • De eerste fatsoensrakker
    Vorige week is de website www.mennoterbraak.nl gelanceerd. Bijzonder aan deze website is dat je naast de gedigitaliseerde versie van een tekst vaak het origineel te...
  • Zwezerik? Zwezer jij?
    Ik kan het hem niet meer vragen, maar ik denk dat mijn vader Toon Hermans de grootste Nederlandse woordkunstenaar vond. Mijn vader speelde zelf ook...

Het voorzetselvoorwerp

Een voorzetselvoorwerp begint altijd met een vast voorzetsel.

Een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel.

Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met het gezegde.

Enkele voorbeelden:

  1. Ik twijfel aan deze methode. (twijfelen aan)
  2. Ik ben niet tevreden met deze computer. (tevreden zijn met)
  3. Ik luister niet graag naar hem. (luisteren naar)
  4. Ik waarschuwde haar voor de gevolgen. (waarschuwen voor)
  5. Ik verlang al maanden naar de skivakantie. (verlangen naar)

De onderstreepte  zinsdelen zijn voorzetselvoorwerpen.

 

Bijwoordelijke bepaling of voorzetselvoorwerp?

Als het zinsdeel dat begint met het voorzetsel een plaats aangeeft, is het een bijwoordelijke bepaling.

Voorbeelden:

1. Deze jongen staat werkelijk voor niets.(voor niets = voorzetselvoorwerp)
De genodigden stonden voor een gesloten deur. (voor een gesloten deur.=.bij -
woordelijke bepaling)


2. Zij hingen aan zijn lippen. (aan zijn lippen = voorzetselvoorwerp)
De jas hangt aan de kapstok. (aan de kapstok = bijwoordelijke bepaling)


3. Zij heeft veel plezier in haar nieuwe baan. ( in haar nieuwe baan = voorzetselvoorwerp)
Zij werkt heel vaak in de mediatheek. (in de mediatheek = bijwoordelijke bepaling)


4. Zij wacht op haar vriendinnen. (op haar vriendinnen = voorzetselvoorwerp)
Hij wacht op het schoolplein. (op het schoolplein = bijwoordelijke bepaling)

OEFENINGEN

1. Oefening voorzetselvoorwerp
2. Oefening voorzetselvoorwerp of bijw. bepaling
3. Oefening lv, mv, vv of bwb



<< terug naar Zinsdelen theorieoverzicht

 
RocketTheme Joomla Templates