Minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem heeft dit jaar de Duidelijketaalprijs gewonnen.
Het voorzetselvoorwerp
Een voorzetselvoorwerp begint altijd met een vast voorzetsel.
Een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel.
Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met het gezegde.
Enkele voorbeelden:
Ik twijfelaan deze methode. (twijfelen aan)
Ikbenniet tevredenmet deze computer. (tevreden zijn met)
Ik luister niet graagnaar hem. (luisteren naar)
Ikwaarschuwdehaarvoor de gevolgen. (waarschuwen voor)
Ik verlang al maandennaar de skivakantie. (verlangen naar)
De onderstreepte zinsdelen zijn voorzetselvoorwerpen.
Bijwoordelijke bepaling of voorzetselvoorwerp?
Als het zinsdeel dat begint met het voorzetsel een plaats aangeeft, is het een bijwoordelijke bepaling.
Voorbeelden:
1. Deze jongen staat werkelijk voor niets.(voor niets = voorzetselvoorwerp) De genodigden stonden voor een gesloten deur. (voor een gesloten deur.=.bij - woordelijke bepaling)
2. Zij hingen aan zijn lippen. (aan zijn lippen = voorzetselvoorwerp) De jas hangt aan de kapstok. (aan de kapstok = bijwoordelijke bepaling)
3. Zij heeft veel plezier in haar nieuwe baan. ( in haar nieuwe baan = voorzetselvoorwerp) Zij werkt heel vaak in de mediatheek. (in de mediatheek = bijwoordelijke bepaling)
4. Zij wacht op haar vriendinnen. (op haar vriendinnen = voorzetselvoorwerp) Hij wacht op het schoolplein. (op het schoolplein = bijwoordelijke bepaling)