|
De bepaling van gesteldheid |
|
De bepaling van gesteldheid zegt iets van twee andere zinsdelen.
Die zinsdelen zijn:
het gezegde en
het onderwerp of het lijdend voorwerp
Meestal bestaat een bepaling van gesteldheid uit een bijvoeglijk naamwoord, maar ook een zelfstandig naamwoord of een voorzetselgroep is mogelijk.
Voorbeelden:
- De leden van het team vonden hem een klier. (een klier zegt iets over vonden (gezegde) en hem (lijdend voorwerp))
- Hij stampte de appels tot moes. (tot moes zegt iets over stampte (gezegde) en de appels (lijdend voorwerp))
- Drijfnat kwam hij gisteren thuis. (drijfnat zegt iets over kwam (gezegde) en hij (onderwerp))
<< terug naar Zinsdelen theorieoverzicht
|