Abonnee login



Wie is online

We hebben 139 gasten en 3 leden online

Hoe spel je ... ?


Enquête

Heeft u behoefte aan extra begeleiding/uitleg?

Nee - 29.1%
Ja, maar ik wil daar niet extra voor betalen. - 62.7%
Ja en ik ben bereid om daar voor te betalen. - 7.6%

Aantal stemmen: 772
The voting for this poll has ended

Woordsoorten

 


 

 

Werkwoorden

  1. Zelfstandige werkwoorden zijn werkwoorden die op zichzelf een gezegde kunnen vormen.
    Ik wil dansen.(dansen kan alleen een werkwoordelijk gezegde vormen: Wij dansen.).
  2. Koppelwerkwoorden zijn werkwoorden die een naamwoordelijk gezegde helpen vormen.
    Koppelwerkwoorden kunnen zijn: zijn, worden, heten, blijven, schijnen, lijken en blijken.
    Hij wordt leraar. Hij is oud. Hij blijft vervelend.
  3. Hulpwerkwoorden helpen een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde vormen.
    We onderscheiden:
  • hulpwerkwoorden van tijd: hebben, zijn en zullen.
    Ik zal morgen gaan. Mijn zus heeft kilometers gelopen. Hij is weggegaan.
  • hulpwerkwoorden van de lijdende vorm worden en zijn.
    Je wordt door hen bedrogen. Mijn fiets is gemaakt door  Leo.
  • de overige hulpwerkwoorden: kunnen, mogen, moeten,willen,laten enz.
    Ik wil wel komen. Ik kan niet komen. Je moet hem halen.

OEFENINGEN

1. Werkwoorden 1    zelfstandige werkwoorden, hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden

2. Werkwoorden 2

3. Oefening werkwoord of zelfstandig naamwoord? /

 

 


 

 

Lidwoorden

Een lidwoord hoort altijd bij een zelfstandig naamwoord. Soms staat tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord nog een ander woord: het oude boek.

De
en het ('t) zijn bepaalde lidwoorden; een ('n) is een onbepaald lidwoord.

Het-woorden zijn onzijdig; de-woorden zijn mannelijk en vrouwelijk.

Opmerkingen

Het
kan lidwoord, persoonlijk vnw. of onbepaald vnw. zijn.

  • Het als lidwoord : hoort bij een zelfstandig naamwoord: het meisje
  • Het als pers. vnw. verwijst naar iets wat voorafgaat of volgt: Het lijkt me logisch dat hij dat doet.
  • Het als onbepaald vnw. staat op zichzelf: Het vriest


OEFENINGEN

1. Oefening lidwoorden

2. Is het de of het?

3. Is het de of het? /

4. Is het de of het ?

5. Naamwoorden en lidwoorden

 

 


 

  

 

Zelfstandige naamwoorden

Zelfstandige naamwoorden zijn  woorden waar je altijd een lidwoord voor kunt zetten: (het) boek, (de) ijspret
Infinitieven kunnen voorkomen als zelfstandige naamwoorden:
Hardlopen is goed voor je. Schaatsen is erg populair.

We onderscheiden eigennamen en soortnamen.

Eigennamen zijn zelfstandige naamwoorden die verwijzen naar iets waarvan er maar één in zijn soort is: een persoon een plaats, een merk enz.: Frits, Zaltbommel, Hema, Nokia . 

Soortnamenverwijzen naar exemplaren van een soort: dier, stad, laptop, horloge


OEFENINGEN

1. Zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en lidwoorden  

2. Oefening werkwoord of zelfstandig naamwoord/

 

 

noun = zelfstandig naamwoord


 

Bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden kun je voor een zelfstandig naamwoord zetten. Ze noemen een eigenschap van het zelfstadig naamwoord.
Bijvoeglijke naamwoorden krijgen in principe de uitgang -e:
Het goede boek. De moeilijke oefening. Onhandige jongen.

Er zijn vier situaties waarin een bijvoeglijk naamwoord niet de uitgang -e krijgt:

  • Wanneer het zelfstandige naamwoord onzijdig is, krijgt het bijvoeglijk naamwoord bij de onbepaalde vorm geen uitgang. Bij de bepaalde vorm krijgt het echter gewoon de uitgang -e: Een mooi kind -  Het mooie kind
  • Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een materiaal aanduidt, krijgt het de uitgang -en: De houten lepel, de koperen bel
  • Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een essentieel deel is van de combinatie met het zelfstandig naamwoord, krijgt het geen -e. Bijvoorbeeld: Het meewerkend voorwerp, het openbaar onderwijs
  • Soms wordt tussen een onbepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord een  bijvoeglijk naamwoord zonder -e gebruikt. In dat geval hebben ze een bijzondere betekenis: Een groot staatsman, een talentvol dichter

OEFENINGEN

1. Zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en lidwoorden  

2. Oefening bijvoeglijke naamwoorden

3. Bijvoeglijke naamwoorden van landennamen

 


adjectief = bijvoeglijk naamwoord


 

Telwoorden

  1. Bepaalde hoofdtelwoorden geven een getal aan dat precies vaststaat: twee, elf, drie zestiende, miljoen enz.

  2.  Bepaalde rangtelwoorden zijn afgeleid van bepaalde hoofdtelwoorden: tweede(van twee), honderdste (van honderd), enz.

  3.  Onbepaalde hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan die niet precies vaststaat: veel, zoveel, sommige, alle, enz.

  4.  Onbepaalde rangtelwoorden zijn meestal afgeleid van onbepaalde hoofdtelwoorden: hoeveelste (van hoeveel), zoveelste (van zoveel)

 

OEFENINGEN

1.
Telwoorden 1/

2. Telwoorden 2

 

 

 


 

 

Voorzetsels

          Voorzetsels komen nooit alleen voor. Ze staan aan het begin van een zinsdeel met een zelfstandig
          naamwoord of een voornaamwoord: Zij gaan
met vakantie naar Noorwegen. Geef het maar aan haar.

Met een voorzetsel kun je een plaats, tijd en relatie aangeven: op school, na zonsondergang, met mijn partner.


Een aparte groep vormen de voorzetselverbindingen.

Dit zijn verbindingen van een zelfstandig naamwoord en twee voorzetsels: ter voorkoming van, in combinatie met, ter verlichting van enz
.

OEFENINGEN

          1. Voorzetsels

          2. Voorzetsels /  

3. Voorzetselverbindingen 

4. Voorzetsels, bijwoorden en voegwoorden

5. Oefening combinaties van een voorzetsel en hebben

 

   

 


preposition = voorzetsel

 

 


 

 

Bijwoorden

         
           Bijwoorden zeggen iets van:
 

         - Een gezegde: Hij loopt hard. Vandaag komen de nieuwe computers. Wanneer gaat hij weg?

         - Een bijvoeglijk naamwoord: Dat is een erg mooie kanarie. Dat is een tamelijk uitgekookt meisje.

         - Een ander bijwoord: Hij loopt heel snel. Hij praat erg hard.


           We onderscheiden bijwoorden van plaats (hier, daar), tijd (vandaag, wanneer) en hoedanigheid
           (hard en langzaam).


           Opmerking:

           Sommige bijwoorden kunnen gesplitst worden: Daarbij laat ik het. - Daar laat ik het bij.

Je benoemt ze als één geheel.



OEFENINGEN

1. Bijwoorden  

2. Voorzetsels, bijwoorden en voegwoorden 

 


adverb = bijwoord 

 

 

 


 

 

Voegwoorden

Voegwoordenzijn woorden als en, maar, of, want, als, dat enz. Het zijn verbindingswoorden. Ze verbinden zinnen of woorden met elkaar:

Kom je als je je huiswerk af hebt?

Wil je cola of sinas?
 

We onderscheiden nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden.

Bij nevenschikking gaat het om een gelijkwaardige verbinding: Fred en Joop, Marije of Janine. Andere nevenschikkende voegwoorden: want, maar, doch enz..

Onderschikkende voegwoorden verbinden hoofd- en bijzin: doordat, dat, hoe, toen enz..

Opmerking:
Voegwoorden zijn nooit een zinsdeel of zinsdeelstuk.

 

OEFENINGEN

1.Voorzetsels, bijwoorden en voegwoorden 

          2. Betrekkelijk voornaamwoord of voegwoord?

 


conjunction = voegwoord

 


 

Voornaamwoorden

Schema persoonlijke, bezittelijke en wederkerige voornaamwoorden

  persoonlijke vnw. bezittelijke vnw. wederkerende   vnw.
  als onderwerp als voorwerp    
1e pers.  enk. ik mij, me mijn me
2e pers.  enk. jij, je, u jou, je, u jouw, je uw je, u
3e pers.  enk. hij
zij, ze, het
hem
haar, het
zijn
haar, zijn
zich
1e pers.  mv. wij. we ons ons, onze ons
2e  pers. mv. jullie, u jullie, je , u jullie, uw je, u
3e  pers. mv. zij, ze hen (LV, VV en 
na een voorzetsel
hun (MV)
ze (LV,MV,VV)
hun


zich


Opmerking:

Het
als pers. vnw. is altijd een zinsdeel; je kunt het vervangen door het ding of de zaak: Hij geeft het aan haar. Hij geeft het ding aan haar. 


wederkerige voornaamwoorden : elkaar(s), elkander

aanwijzende voornaamwoorden: die, deze, dat, dit, zo'n, dezelfde, zulke en zelf  

vragende voornaamwoorden: wie, wat, welke en wat voor (een)

betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat, wie en wat  


Opmerkingen:
 

    • betrek. vnw. verwijzen naar een voorafgaand zinsdeel: het antecedent. Het antecedent staat altijd in dezelfde zin.
      Voorbeelden: 
      De man die daar staat, is zijn vader.
      Het meisje aan wie ik het vroeg, zie ik niet meer.

 

    • Wat kan ook een zin als antecedent hebben: je kunt het dan vervangen door en dat:
      Het feest gaat morgen niet door, wat me lelijk tegenvalt. Het feest gaat morgen niet door en dat valt me lelijk tegen.

 

    • Wie en wat kunnen ook een ingesloten antecedent hebben: je kunt wie/wat dan vervangen door de man die/het ding dat: Wie dat zegt, geloof ik niet. - De man die dat zegt, geloof ik niet.

   

  • Onbepaalde voornaamwoorden zijn woorden als men, (n)iemand, (n)iets, ieder(een), alles, elk,wat, enig(e), het een of ander. 

 

Opmerkingen:

 

    • Het kan lidwoord, persoonlijk vnw. of onbepaald vnw. zijn.

 

    • Het als lidwoord : hoort bij een zelfstandig naamwoord: het meisje

 

    • Het als pers. vnw. verwijst naar iets wat voorafgaat of volgt: Het lijkt me logisch dat hij dat doet.

 

    • Het als onbepaald vnw. staat op zichzelf: Het vriest

 

    • Het onbepaald vnw. wat kun je vervangen door iets of een beetje: Wil je wat voor mij doen? - Wit je iets voor mij doen?

 

 

OEFENINGEN

    1. Persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord? /
    2. Het gebruik van hun of hen 1
    3. Het gebruik van hun of hen 2
    4. Wederkerende voornaamwoorden 
    5. Persoonlijke, bezittelijke en wederkerende voornaamwoord
    6. Persoonlijk, wederkerend of wederkerig voornaamwoord?
    7. Vragend voornaamwoord of bijwoord?  
    8. Aanwijzende voornaamwoorden  /
    9. Betrekkelijke voornaamwoorden /
    10. Betrekkelijk (met ingesloten antecedent), aanwijzend of vragend voornaamwoord?
    11. Betrekkelijk voornaamwoord of voegwoord?
    12. Voornaamwoorden  
       persoonlijke, wederkerende, wederkerige, bezittelijke, aanwijzende, vragende, betrekkelijke en onbepaalde voornaamwoorden

 

 

Zie ook:  Verwijswoorden

 


 


 

Tussenwerpsels

Tussenwerpsels zijn woorden als ach, jaja, vet, donders, hihi, heremijntijd, hemeltjelief, hoeps, foei.

Het zijn geen zinsdelen of zinsdeelstukken: je hoeft ze dus ook niet als zodanig te benoemen.

Voorbeelden:  

Bah, wat een smerig verhaal!

Donders,dat had ik niet verwacht!

 Oefening tussenwerpsels   

 

 
RocketTheme Joomla Templates