Toen Nicoline van der Sijs in 2001 het proefschrift Etymologie in het digitale tijdperk publiceerde, voorspelde zij dat de sterke toename van digitale bronnen in...
Op 6 december 1779, vandaag precies 231 jaar geleden, stuurde de zus van matroos Jacob Smit haar broer een pakketje met sinterklaascadeautjes. De zus woonde...
Vorige week is de website www.mennoterbraak.nl gelanceerd. Bijzonder aan deze website is dat je naast de gedigitaliseerde versie van een tekst vaak het origineel te...
Ik kan het hem niet meer vragen, maar ik denk dat mijn vader Toon Hermans de grootste Nederlandse woordkunstenaar vond. Mijn vader speelde zelf ook...
De samengestelde zin
Een zin met één persoonsvorm noemen we een enkelvoudige zin.
Een zin met meer dan één persoonsvorm noemen we een samengestelde zin.
Een samengestelde zin kan bestaan uit:
hoofdzinnen of
uit (een) hoofdzin(nen) en (een) bijzin(nen).
In een hoofdzin staat de persoonsvorm vooraan of na het eerste zinsdeel.
voorbeelden: Ga je mee tennissen? Ik ga vanmiddag tennissen.
Hoofdzinnen kunnen met elkaar verbonden worden door de voegwoorden en, maar, want of of.
voorbeelden: Het is al laat en daarom kom ik vanavond. Het is al laat, maar ik kom toch vanmiddag. Ik kom vanavond want het is al laat. Kom je vanmiddag ofkom je vanavond?
Opmerking: In een hoofdzin kun je nooit het woordje 'niet' tussen de persoonsvorm en het onderwerp zetten.
In een bijzin staat de persoonsvorm (bijna) achteraan.
voorbeelden: Hij zei dat hij vanmiddag ging tennissen. Hij zei dat hij meer dan drie uur getennist had.
Een bijzin begint bijna altijd met een verbindingswoord.
Bijzinnen kun je benoemen als zinsdelen en zinsdeelstukken.
voorbeelden:
Wie de wedstrijd wint, wordt clubkampioen. wordt clubkampioen = hoofdzin wordt clubkampioen = naamwoordelijk gezegde; wordt = werkwoordelijk deel; clubkampioen = naamwoordelijk deel; wie de wedstrijd wint = onderwerp(zin) *Voor de duidelijkheid zet je er zin of bijzin achter.
Zij wordt later wat haar moeder is. zij wordt later = hoofdzin wordt wat haar moeder is = naamwoordelijk gezegde; wordt = werkwoordelijk deel; wat haar moeder is = naamwoordelijk gezegdezin; zij = onderwerp later = bijwoordelijke bepaling
Hij zegt dat hij het niet gedaan heeft. Hij zegt = hoofdzin hij = onderwerp; zegt = werkwoordelijk gezegde; dat hij het niet gedaan heeft = lijdend voorwerpzin
Wie doorrijdt, geeft hij een waarschuwing. geeft hij een waarschuwing = hoofdzin geeft = werkwoordelijk gezegde; hij = onderwerp; een waarschuwing = lijdend voorwerp; wie doorrijdt = meewerkend voorwerpzin
Omdat het bleef regenen, werd het kampioenschap afgelast. werd het kampioenschap afgelast = hoofdzin werd afgelast = werkwoordelijk gezegde; het kampioenschap = onderwerp; omdat het bleef regenen = bijwoordelijke bijzin
Het kind dat daar kruipt, is mijn neefje. Het kind is mijn neefje = hoofdzin is mijn neefje = naamwoordelijk gezegde; is = werkwoordelijk deel; mijn neefje = naamwoordelijk deel; het kind = onderwerp; dat daar kruipt = bijvoeglijke bijzin
Tip:
Vervang de bijzin door één woord en ontleed de enkelvoudige zin. voorbeeld:
Hij vindt dat. => Hij vindt dat jij geen gelijk hebt.
Het woord dat de bijzin vervangt heeft dezelfde functie als de bijzin.
Dat = lijdend voorwerp => dat jij geen gelijk hebt = lijdend voorwerpzin