Abonnee login



Wie is online

We hebben 93 gasten online

Hoe spel je ... ?


Enquête

Heeft u behoefte aan extra begeleiding/uitleg?

Nee - 29.1%
Ja, maar ik wil daar niet extra voor betalen. - 62.7%
Ja en ik ben bereid om daar voor te betalen. - 7.6%

Aantal stemmen: 772
The voting for this poll has ended

De samengestelde zin

Een zin met één persoonsvorm noemen we een enkelvoudige zin.

Een zin met meer dan één persoonsvorm noemen we een samengestelde zin.

Een samengestelde zin kan bestaan uit:

  • hoofdzinnen of
  • uit (een) hoofdzin(nen) en (een) bijzin(nen).

In een hoofdzin staat de persoonsvorm vooraan of na het eerste zinsdeel.

voorbeelden:
Ga
je mee tennissen?
Ik ga vanmiddag tennissen.

Hoofdzinnen kunnen met elkaar verbonden worden door de voegwoorden en, maar, want of of.

voorbeelden:
Het is al laat en daarom kom ik vanavond.
Het is al laat, maar ik kom toch vanmiddag.
Ik kom vanavond want het is al laat.
Kom je vanmiddag of kom je vanavond?

Opmerking:
In een hoofdzin kun je nooit het woordje 'niet' tussen de persoonsvorm en het onderwerp zetten.

In een bijzin staat de persoonsvorm (bijna) achteraan.

voorbeelden:
Hij zei dat hij vanmiddag ging tennissen.
Hij zei dat hij meer dan drie uur getennist had.

Een bijzin begint bijna altijd met een verbindingswoord.

Bijzinnen kun je benoemen als zinsdelen en zinsdeelstukken.

voorbeelden:

  • Wie de wedstrijd wint, wordt clubkampioen.
    wordt clubkampioen = hoofdzin                         
    wordt clubkampioen = naamwoordelijk gezegde; wordt = werkwoordelijk deel; clubkampioen = naamwoordelijk deel; wie de wedstrijd wint = onderwerp(zin)
    *Voor de duidelijkheid zet je er zin of bijzin achter.

  • Zij wordt later wat haar moeder is.
    zij wordt later = hoofdzin
    wordt wat haar moeder is = naamwoordelijk gezegde; wordt = werkwoordelijk deel; wat haar moeder is = naamwoordelijk gezegdezin; zij = onderwerp
    later = bijwoordelijke bepaling

  • Hij zegt dat hij het niet gedaan heeft.
    Hij zegt = hoofdzin
    hij = onderwerp; zegt = werkwoordelijk gezegde; dat hij het niet gedaan heeft = lijdend voorwerpzin 

  • Wie doorrijdt, geeft hij een waarschuwing.
    geeft hij een waarschuwing = hoofdzin
    geeft = werkwoordelijk gezegde; hij = onderwerp; een waarschuwing = lijdend voorwerp; wie doorrijdt = meewerkend voorwerpzin

  • Omdat het bleef regenen, werd het kampioenschap afgelast.
    werd het kampioenschap afgelast = hoofdzin
    werd afgelast = werkwoordelijk gezegde; het kampioenschap = onderwerp; omdat het bleef regenen = bijwoordelijke bijzin
  • Het kind dat daar kruipt, is mijn neefje.
    Het kind is mijn neefje = hoofdzin
    is mijn neefje = naamwoordelijk gezegde; is  = werkwoordelijk deel; mijn neefje = naamwoordelijk deel; het kind = onderwerp; dat daar kruipt = bijvoeglijke bijzin

 

Tip:

Vervang de bijzin door één woord en ontleed de enkelvoudige zin.
voorbeeld:

Hij vindt dat. => Hij vindt dat jij geen gelijk hebt.

Het woord dat de bijzin vervangt heeft dezelfde functie als de bijzin.

Dat = lijdend voorwerp => dat jij geen gelijk hebt = lijdend voorwerpzin

 

OEFENINGEN

Oefening 1 samengstelde zin  1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 /

Oefening 2 samengestelde zin /

Oefening 3 samengestelde zin

 

 
RocketTheme Joomla Templates