Abonnee login



Wie is online

 14 gasten 

Hoe spel je ... ?


Enquête

Welke opleiding doe je?

Taalnieuws

  • De nieuwe woorden van 1910
    Toen Nicoline van der Sijs in 2001 het proefschrift Etymologie in het digitale tijdperk publiceerde, voorspelde zij dat de sterke toename van digitale bronnen in...
  • Schaatsen of schaatsenrijden?
    Het is nu even aan ’t dooien, maar als het een beetje meezit kunnen we binnenkort onze schaatsen weer onderbinden. Als u dat gedaan hebt...
  • Oude post vol taalvondsten
    Op 6 december 1779, vandaag precies 231 jaar geleden, stuurde de zus van matroos Jacob Smit haar broer een pakketje met sinterklaascadeautjes. De zus woonde...
  • De eerste fatsoensrakker
    Vorige week is de website www.mennoterbraak.nl gelanceerd. Bijzonder aan deze website is dat je naast de gedigitaliseerde versie van een tekst vaak het origineel te...
  • Zwezerik? Zwezer jij?
    Ik kan het hem niet meer vragen, maar ik denk dat mijn vader Toon Hermans de grootste Nederlandse woordkunstenaar vond. Mijn vader speelde zelf ook...

De samengestelde zin

Een zin met één persoonsvorm noemen we een enkelvoudige zin.

Een zin met meer dan één persoonsvorm noemen we een samengestelde zin.

Een samengestelde zin kan bestaan uit:

  • hoofdzinnen of
  • uit (een) hoofdzin(nen) en (een) bijzin(nen).

In een hoofdzin staat de persoonsvorm vooraan of na het eerste zinsdeel.

voorbeelden:
Ga
je mee tennissen?
Ik ga vanmiddag tennissen.

Hoofdzinnen kunnen met elkaar verbonden worden door de voegwoorden en, maar, want of of.

voorbeelden:
Het is al laat en daarom kom ik vanavond.
Het is al laat, maar ik kom toch vanmiddag.
Ik kom vanavond want het is al laat.
Kom je vanmiddag of kom je vanavond?

Opmerking:
In een hoofdzin kun je nooit het woordje 'niet' tussen de persoonsvorm en het onderwerp zetten.

In een bijzin staat de persoonsvorm (bijna) achteraan.

voorbeelden:
Hij zei dat hij vanmiddag ging tennissen.
Hij zei dat hij meer dan drie uur getennist had.

Een bijzin begint bijna altijd met een verbindingswoord.

Bijzinnen kun je benoemen als zinsdelen en zinsdeelstukken.

voorbeelden:

  • Wie de wedstrijd wint, wordt clubkampioen.
    wordt clubkampioen = hoofdzin                         
    wordt clubkampioen = naamwoordelijk gezegde; wordt = werkwoordelijk deel; clubkampioen = naamwoordelijk deel; wie de wedstrijd wint = onderwerp(zin)
    *Voor de duidelijkheid zet je er zin of bijzin achter.

  • Zij wordt later wat haar moeder is.
    zij wordt later = hoofdzin
    wordt wat haar moeder is = naamwoordelijk gezegde; wordt = werkwoordelijk deel; wat haar moeder is = naamwoordelijk gezegdezin; zij = onderwerp
    later = bijwoordelijke bepaling

  • Hij zegt dat hij het niet gedaan heeft.
    Hij zegt = hoofdzin
    hij = onderwerp; zegt = werkwoordelijk gezegde; dat hij het niet gedaan heeft = lijdend voorwerpzin 

  • Wie doorrijdt, geeft hij een waarschuwing.
    geeft hij een waarschuwing = hoofdzin
    geeft = werkwoordelijk gezegde; hij = onderwerp; een waarschuwing = lijdend voorwerp; wie doorrijdt = meewerkend voorwerpzin

  • Omdat het bleef regenen, werd het kampioenschap afgelast.
    werd het kampioenschap afgelast = hoofdzin
    werd afgelast = werkwoordelijk gezegde; het kampioenschap = onderwerp; omdat het bleef regenen = bijwoordelijke bijzin
  • Het kind dat daar kruipt, is mijn neefje.
    Het kind is mijn neefje = hoofdzin
    is mijn neefje = naamwoordelijk gezegde; is  = werkwoordelijk deel; mijn neefje = naamwoordelijk deel; het kind = onderwerp; dat daar kruipt = bijvoeglijke bijzin

 

Tip:

Vervang de bijzin door één woord en ontleed de enkelvoudige zin.
voorbeeld:

Hij vindt dat. => Hij vindt dat jij geen gelijk hebt.

Het woord dat de bijzin vervangt heeft dezelfde functie als de bijzin.

Dat = lijdend voorwerp => dat jij geen gelijk hebt = lijdend voorwerpzin

 

OEFENINGEN

Oefening 1 samengstelde zin  1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 /

Oefening 2 samengestelde zin /

Oefening 3 samengestelde zin


 

 
RocketTheme Joomla Templates